01-04

Oefening 1
Oefening 2
Mijn voetbal is ...  (vierkant, rond, boos).
De zon staat hoog aan de ... (grond, auto, hemel)
Mijn vader is zestig ... (jaar, lopen, graaf)
Jan wandelt erg ... (stoel, telefoon, graag)
De auto rijdt ... (groen, snel, lager)
Ik vind jouw jurk erg ... (mooi, zak, veel)
Daar ... mijn vriend. (merk, beter, loopt)
De zon schijnt. Het is heel ... weer. (beter, ver, mooi)
Ik heb honger. Laten we gaan ... (rennen, kijken, eten)
Madurodam heeft ... huisjes (kleine, bruine, laat)
In de Keukenhof kun je veel bloemen ... (laten, vervelen, zien)
Mijn buurman is timmerman. Hij ... onze kast. (loopt, repareert, zorgt)
Verder dan tien kan Jantje nog niet ... (denken, tellen, weten)
Ik heb geen geld. Gelukkig is de koffie op school ... (beter, goed, gratis)
Beter laat dan ... (wit, slechter, nooit)
Er zijn veel auto's. Ik woon in een ... straat (stille, drukke, groene)
Na de fitness had ik ... in mijn spieren. (snoep, pijn, camera)
In de bioscoop zaten wij op de achterste ... (film, rij, blad)
Goed dat je dat ... Daar had ik niet aan gedacht. (breekt, gaat, zegt)
Heel ... dat je langs komt. Ik voelde me alleen. (fijn, jammer, beter)

Oefening 3
Oefening 4
De politie heeft de ... gepakt. (slachtoffer, dief, boom)
Op welke muziek wil jij ... (eten, laten, dansen)?
Ik hoor een krakend ... Is daar iemand? (tafel, geluid, man)
Hè, ik ben iets vergeten. Nu moet ik ... , om het te halen. (verder, gratis, terug)
Wat een leuk kado! Dank je ... (niet, wel, later)
Ik moet deze rekening binnen veertien dagen ... (breken, liegen, betalen)
Die man vindt mij leuk, maar ik vind hem ... (vervelend, lief, groen)
Aangenaam kennis met u te ... (maken, lopen, gapen)
Ik neem nog maar weer een ... koffie. (hoofdje, kopje, slootje)
Helemaal geen fouten. Goed ... , hoor! (vergeten, gedaan, gezeten)
Ik moet veel ... om het examen te halen. (oefenen, eten, blikken)
De rijst is hier duurder. Daarom ga ik naar de ... winkel. (andere, latere, vele)
Volgend weekend gaan we naar mijn familie. Ik heb er echt zin ... (op, in, over)
Lieve help, is me dat ...! (koken, schrikken, drinken)
Koffie, bier, wijn, je kunt het allemaal ... (eten, denken, drinken)
Mijn man wil nooit koken, daarom wast hij ... (op, in, af)
In Japan is een grote ramp ... (gelaten, gebeurd, gekraakt)
Ik wil graag de krant lezen, heb jij hem al ... ?(vaak, las, uit)
Mijn docent helpt mij bij deze ... (oefeningen, stoelen, maken)
Mia is heel blij, ze heeft een kado ... (gevogelte, gekregen, gesloten)