Tekst 6

Lees eerst de vragen. Zoek bij de vraag het goede antwoord in de tekst. Lees altijd eerst de vraag. Zoek bij elke vraag het goede antwoord. 



Elke ochtend moet ik om half acht de deur uit. Ik stap op mijn fiets en ik rijd naar het station. Ik fiets ongeveer tien minuten. Daar stap ik in de trein naar Amsterdam. In de trein zitten veel mensen. Vaak moet ik staan in de trein. De treinreis duurt een half uur. In Amsterdam stap ik uit en loop ik van het station naar mijn kantoor. Dat is tien minuten lopen. Zo reis ik elke dag vijftig minuten naar mijn werk.


11) Hoe lang moet ik reizen naar mijn werk?

a. 50 minuten
b. Een half uur.
c. 15 minuten.


12) Waar ga ik naar toe op mijn fiets?

a. Naar mijn werk.
b. Naar Amsterdam.
c. Naar mijn kantoor.
d. Naar het station.

<<                                                                                  >>