25-30

Oefening 25
Oefening 26 
Oefening 27 
Het schrift is gevallen, het ligt op de grond.
Het spijt me, dat is uitverkocht.
Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.
Het stormde veel afgelopen najaar.
Het vliegtuig kwam naast de baan terecht.
Het vliegtuig landt op het vliegveld.
Het vriest vannacht. 
Het waaide erg hard vanmorgen.
Het zal me een worst wezen. 
Het zou fantastisch zijn als je mee gaat. 
Hier kan ik écht niet aan beginnen.
Hier vult u uw persoonlijke gegevens in. 
Hij bidt vijf keer per dag. 
Hij danst de hele avond.
Hij danste de hele avond.
Hij gaat fietsend naar school.
Hij gaat ieder weekend vissen.
Hij geeft het boek terug aan zijn leraar. 
Hij gelooft zijn ogen niet. 
Hij had beter moeten weten.
Hij had de hele avond gedanst.
Hij heeft de hele avond gedanst.
Hij heeft de hele zomer vakantie bij de zee doorgebracht.
Hij heeft een brief zitten schrijven. 
Hij heeft geen trek in kaas.  
Hij heeft genoeg van die melk. 
Hij heeft in de zee gezwommen.
Hij heeft mijn fiets geleend.
Hij heeft trek in een broodje. 
Hij heeft verstand van tuinieren.

Oefening 28
Oefening 29 
Oefening 30
Hij heeft weinig vrienden op school.
Hij heeft zich nog nooit gebrand.
Hij heeft zin in een biertje. 
Hij herinnert zich de naam van dat meisje niet. 
Hij houdt alles voor zich. 
Hij is een beetje dom geweest.
Hij is een gevoelige jongen. 
Hij is geslaagd voor zijn rijexamen. 
Hij is heel erg boos op zijn broer. 
Hij is naar het eiland gezwommen.
Hij is vandaag laat thuis gekomen. 
Hij kent het verschil niet tussen mijn en dijn.
Hij ligt op de grond te tekenen. 
Hij lijdt aan een ernstige ziekte. 
Hij loopt niet in zeven sloten tegelijk.
Hij loopt op zijn tenen. 
Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.
Hij moet het wat rustiger aan gaan doen. 
Hij passeert mij met een rotvaart. 
Hij raadt het antwoord.
Hij raadt naar het antwoord.
Hij rookt wel twintig sigaretten per dag.
Hij studeert aan de universiteit. 
Hij trekt zijn trui uit. 
Hij vraagt de juf om hulp. 
Hij wordt verdacht van diefstal. 
Hij zit op zijn geld.
Hoe gaat het?
Hoe kon dat zo gebeuren?
Hoe laat is het?