05-08

Oefening 5
Oefening 6
Als het regent, ga ik gauw naar ... (buiten, boven, binnen).
Zodra de zon schijnt, ga ik ... (poetsen, boodschappen doen, wandelen).
Voor mijn man kook ik graag ... (aardappelen, meel, appelsap).
In de woonkamer staat onze nieuwe ... (bank, koelkast, badkuip).
Mijn huiswerk maak ik in de ... (badkamer, hal,woonkamer).
Ik heb een zus en een ... (oom, neef, broer).
In de winkel betaal ik aan de... (bar, kassa, automaat).
Bij een grote AH kun je ook verse ... (oliebollen, bloembollen, bloemen) kopen.
Op de parkeerplaats staat een grote ... (fiets, brommer, vrachtauto).
In alle grote winkels kun je ... (rennen, eten, pinnen).
Bij het Kruidvat koop ik ... (meel, shampoo, een kladblok).
Mijn fiets staat in ... (de tuin, de gang, het schuurtje).
Op wintersport kun je ... (fietsen, skiën, kletsen).
Morgen moet ik vroeg opstaan om te gaan ... (drinken, slapen, werken).
Van sporten word je ... (dik, fit, vervelend).
Na het sporten drink ik veel ... (koffie, bier, water).
Gelderland is een provincie van ... (Engeland, België, Nederland).
In het najaar vallen de blaadjes van de ... (daken, tegels, bomen).
Een moeilijk woord voor stoep is ... (trottoir, zebra, schoonmaakmiddel).
Een zebra is een dier, maar ook een ... (kledingstuk, voetgangersoversteekplaats, taart).

Oefening 7
Oefening 8
Spruitjes kun je ... (drinken, schrijven, eten).
De trein vertrekt vandaag met 10 minuten ... (tijd, vertraging, verschil).
Tandpasta gebruik je om je tanden te ... (eten, poetsen, drinken).
Een hond, een kat, een hamster zijn ... (koeien, paarden, huisdieren).
Wanneer het regent, draag ik een ... (trui, regenjas, draagtas).
Wanneer het lange tijd erg warm weer is, noemen we dat (een regenbuitje, een hittegolf, onweer).
Mes, vork en lepel zijn samen het (keukengerei, bestek, handdoek).
Ik werk graag in de tuin, dat vind ik erg (vervelend, tijdrovend ontspannend).
Omdat ik te hard gereden heb, heb ik (een bekeuring, een kadootje, veel geluk) gekregen.
Met veel geduld heb ik (mijn handwerkje, een garage, de straat) afgemaakt.
Bij de schoenmaker kan ik mijn schoenen laten ... (repareren, poetsen, naaien).
Een modeshow is bedoeld om nieuwe kleding te ... (showen, maken, proberen).
In de gezondheidszorg werk je met ... (apparaten, mensen, dieren).
Het geld dat je leent voor de aankoop van een huis, noemt men een ... (hypotheek, spaarcentje, bedrag).
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf ... (naast, achter, in).
Educatie is een ander woord voor ... (opleiding, verveling, ervaring)
Wie blind is, kan niet (horen, zien, praten).
Een dove kan niet (horen, zien, praten).
Iemand die niet kan spreken, noemen we ook wel (doof, blind, stom).
Een bezigheid die je graag doet, noemen we een (grapje, hobby, werk).