07-12

Oefening 7
Oefening 8
Oefening 9
De chauffeur vraagt om in de bus niet te roken. 
De chirurg wist na de operatie niet wat hij moest zeggen.
De dief ging de politie met een mes te lijf. 
De druppel die de emmer doet overlopen.
De eend zwemt lekker in het water.
De eerste klap is een daalder waard.
De fabriek ontslaat een aantal arbeiders. 
De gemeenteraad noemen we het parlement. 
De hond is in een diep gat gevallen.
De hond kan hard blaffen. 
De hond schrok van het vuurwerk. 
De huisarts heeft elke dag tot tien uur spreekuur
De inbreker steelt het geld uit de kluis. 
De jongen schopt de bal in het doel. 
De jongens gaan vanmiddag voetballen. 
De jongste kinderen zitten in groep 1. 
De kapper scheert zijn klanten.
De kinderen hebben een schoolplein om op te spelen. 
De kinderen hebben vrij, ze hoeven niet naar school.
De kinderen komen vanavond bij ons eten.
De kinderen vinden sinaasappels lekker. 
De kinderen zingen een lied. 
De klok loopt goed. 
De koopman weegt de appels met een weegschaal. 
De krant geeft commentaar op het nieuws. 
De leerlingen barstten in lachen uit. 
De leerlingen blijven op deze scholen. 
De leerlingen lachen om de grap van de leraar. 
De leerlingen schuiven de stoelen onder de tafels. 
De leraar engels is vandaag niet op school. 

Oefening 10
Oefening 11
Oefening 12
De leraar engels is vandaag niet op school, hij is ziek
De leraar geeft veel huiswerk.
De lerares belooft op bezoek te komen. 
De lerares vergiste zich in mijn naam.
De lift is buiten werking. 
De man heeft de supermarkt gesloten.
De markt is alleen vandaag gesloten.
Het meel voor het brood hebben we in de molen gemaakt.
De meester denkt er nog over na. 
De meester komt om negen uur op school. 
De meester veegt het bord schoon. 
De mens bestaat voor 70% uit water. 
Het mooie weiland en vele dieren heb ik gezien.
De muizen vreten van de kaas. 
De oude dame past op haar kleinkinderen. 
De politie brengt haar naar het ziekenhuis. 
De prijs van kool is hoger dan een week geleden. 
De puntjes op de I zetten.
De regering heeft de uitkeringen verhoogd. 
De rijke man deed zich voor als een bedelaar. 
De ruzie gaat over een gum. 
De school begint altijd om 8 uur.
De soldaten vechten tegen de vijand.
De studenten zien tegen de professor op. 
De supermarkt is om de hoek. 
De tandarts heeft twee kiezen getrokken. 
De telefoon is in gesprek. 
De timmerman meet de lengte van de balk. 
De toetsen staan voor de deur
De trein naar Parijs vertrekt van perron 4.