19-24

Oefening 19
Oefening 20
Oefening 21
Gezelligheid kent geen tijd.
Gister regende het.
Gisteren mocht de boer zijn heg niet snoeien.
Haar lievelingskleur is donkerblauw. 
Haar vader heeft al 25 jaar hetzelfde beroep. 
Haar vader is boos op de kinderen
Hallo! Hoe gaat het met je?
Han wordt dokter in India. 
Hassan komt uit marokko. 
Heb je een pen bij je?
Heb je het al gehoord ?
Heb je je tong verloren?
Heb je pillen tegen misselijkheid?
Heb je veel geld over?
Heb jij dat gebouw zien afbranden?
Heb jij mijn tas ergens zien staan ?
Heb jij ook zo’n trek in een ijsje?
Heb jij toevallig geld bij je?
Hebben is hebben, krijgen is de kunst.
Hebben jullie mijn sleutels gezien?
Heeft u terug van vijftig?
Heeft u terug van vijftig euro?
Hein haalt suiker en snoepjes bij de supermarkt.
Hein haalt suiker en snoepjes in de supermarkt. 
Henk zit steeds naar Tineke te gluren. 
Het boek gaat over een reus. 
Het boek is nog niet uit.
Het energiebedrijf betaal ik per twee maanden. 
Het ergste is nu achter de rug. 
Het eten was verrukkelijk.

Oefening 22
Oefening 23
Oefening 24
Het fietsenhok is achter de school. 
Het gebeurde tien jaar geleden.
Het geld komt op de rekening van het bedrijf. 
Het geld ligt op tafel.
Het hagelde verleden winter.
Het heeft vandaag hard geregend. 
Het ijs is gebroken.
Het is erg belangrijk om Nederlands te leren. 
Het is erg koud in de winter. 
Het is hier benauwd.
Het is maar hoe je het bekijkt
Het is maar hoe je het bekijkt.
Het is niet helemaal gegaan zoals we (het?) verwacht hadden.
Het is niet helemaal gegaan zoals we bedoeld hadden.
Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
Het is niet waar wat je zegt!
Het is opgehouden met regenen. 
Het kind kwam onder een auto. 
Het kind ligt op de grond te tekenen. 
Het kind ontmoette zijn vriendje bij de beek.
Het kind zuigt de limonade door een rietje. 
Het meisje leeft gescheiden van haar ouders. 
Het meisje was trots op haar nieuwe schoenen. 
Het moet in december klaar zijn.
het moet in januari klaar zijn
Het paard achter de wagen spannen.
Het paard rende op het gras.
Het pakje is zwaar, het weegt 5 kilo.
Het schilderij hangt aan de muur. 
Het schilderij hangt in een museum.