73-78

Oefening 73
Oefening 74
Oefening 75
Waar heb je het in hemelsnaam over?
Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.
Waar is dat goed voor?
Waar kijk je naar?
Waar koop je een kaartje voor de trein?
Waar zijn we gebleven?
Waarom doet u dat nou?
Waarom zeg je niets?
Wanneer ben je jarig?
Wanneer hebben we vakantie?
Wanneer ik zware dingen koop ga ik op de fiets. 
Wanneer kom je nu eens op bezoek?
Wanneer ze wakker is, is de zon onder gegaan.
Waren er veel mensen op de vergadering?
Wat ben je aan het doen?
Wat is er aan de hand?
Wat is je voornaam?
Wat is uw adres?
Wat krijgt u ook alweer van me?
Wat voeren jullie daar uit?
Wat voor mensen doen zulke dingen?
Wat was het resultaat van zijn toets?
Wat zou je doen als je rijk was?
We beginnen steeds in onze eigen taal te praten. 
We gaan aan tafel. 
we gaan daar de volgende les mee verder.
We gaan om de beurt met de auto. 
We gaan vandaag ons huiswerk maken. 
We hadden er geen erg in. 
We hadden gisteren niet zoveel moeten drinken.

Oefening 76
Oefening 77
Oefening 78
We hebben de trein gemist.
We hebben geen eigen keuken en badkamer. 
We hebben het meel voor dit brood in de molen gemaakt.
We hebben in februari een week vakantie. 
We hebben om 8 uur afgesproken.
We kijken uit naar de vakantie. 
We krijgen maar weinig klachten.
We moeten haast maken.  
We moeten het wat rustiger aan gaan doen.
We moeten morgen om drie uur bij de tandarts zijn.
We moeten ons voor de voetbal-training opgeven.
We waren blij toen we naar huis mochten.
We zien geen oplossing voor uw probleem.
We zitten aan tafel. 
Wees toch voorzichtig!
Weet u waar het stadhuis is?
Welke kant gaan we op vanaf hier?
Welke taart zou je willen hebben?
Wie A zegt moet ook B zeggen.
Wie is er aan de beurt?
Wie niet waagt wie niet wint. 
Wij hebben een klein huis gekocht. 
Wij hebben een mooie tuin met bloemen. 
Wij hebben vanmiddag in het bos gewandeld. 
Wij hebben zin in een spelletje. 
Wij krijgen morgen een examen voor wiskunde. 
Wij proberen geen fouten te maken. 
Wij strijden voor een beter milieu. 
Wij vinden die man niet aardig. 
Wij zien het vliegtuig hoog in de lucht.