55-60

Oefening 55
Oefening 56
Oefening 57
Kijk uit voor de hete thee. 
Kleine dingen betaal je meestal contant. 
Koop je daar ook kleren en schoenen?
Kun je me dat nog eens uitleggen?
Kunnen we er niet over praten?
Kunt u dat nog eens herhalen.
Kunt u me daar wat meer over vertellen?
Kunt u mij vertellen hoe laat het is?
Kunt u op een andere dag niet terugkomen?
Kunt u wat langzamer praten.
Laagland betekent dat er geen bergen zijn. 
Lag je tot negen uur te slapen?
Lange tenen hebben.
Lange vingers hebben.
Later als je groot bent mag jij ook.
Let op je rug. 
Lisa heeft ruzie met haar oudere broer. 
Mag het iets meer zijn?
Mag ik even kijken?
Mag ik me even voorstellen?
Mag ik u enkele vragen stellen?
Mag ik van u de rekening?
Mag ik van u een bos tulpen?
Miriam gaat het liefst elke dag winkelen. 
Marianne is een meisje. Ze is twaalf jaar. 
Marjolijn heeft het fietsen onder de knie
Mehmet gaat naar de groenteman, hij koopt appels. 
Merel trekt haar sok aan. 
Met de hoed in de hand kom je door het hele land.
Met kerstmis sneeuwde het in Nederland.

Oefening 58
Oefening 59
Oefening 60
Mevrouw Jansen gaat naar de tandarts. 
Mijn auto is in goede staat.
Mijn broer doet gewoonlijk de afwas.
Mijn broertje en ik gaan naar de Kermis. 
Mijn buurman is rond de vijftig. 
Mijn fiets heeft een lekke band.
Mijn man en ik houden erg van paprika. 
Mijn man heeft heel goed gekookt.
Mijn man kookt heel goed.
Mijn man kookte heel goed.
Mijn mobiel is stuk.
Mijn moeder brengt mij elke dag naar school. 
Mijn moeder heeft een bloem getekend.
Mijn moeder is het huis aan het schoonmaken.
Mijn moeder houdt veel van bloemen.
Mijn moeder is bezig met het huis schoon te maken.
Mijn moeder is op leeftijd. 
Mijn moeder kan niet tegen schelden. 
Mijn moeder staat het huis schoon te maken.
Mijn moeder tekende een bloem.
Mijn moeder tekent een bloem.
Mijn oma is 85 jaar. Ze is dus heel oud. 
Mijn oma is op die rode brommer gekomen.
Mijn oma is op een rode brommer gekomen.
Mijn oom uit Canada komt dit weekend op bezoek. 
Mijn opa en oma wonen bij mij in de buurt. 
Mijn opa en oma wonen in Turkije. 
Mijn ouders gaan op bezoek bij de buren. 
Mijn ouders hebben een nieuw huis gekocht.
Mijn ouders kochten een nieuw huis.